"Er zat plots een enkel onder mijn voet"
Aan het woord is Standard-voetballer Goreux nadat hij op zondagavond zijn rechtervoet parkeerde op de enkel van zijn tegenstander. Heel inventieve uitleg is me dat, want daarmee knip je de band door tussen je eigen daad en de feiten.
Bij uitbreiding zou het kunnen leiden tot zinnen als ‘plots stond er een muur tegen mijn auto’ of ‘plots zat er cocaïne in mijn neus’. Mooi, maar wat zegt het?
Heel interessant in deze is het haast volstrekt uitblijven van een maatschappelijke reactie. Enkele maanden terug stond het land in rep en roer omdat als gevolg van uiterst vergelijkbare daden, een been was afgestampt.
Ik hoef de namen niet nogmaals te herhalen, maar de situatie sprak toen voor zich: morele verontwaardiging alom, er werd een levenslange schorsing geëist en indien er heropvoedingskampen hadden bestaan, hij mocht er heen. Vandaag blijft het vooral stil. Hoe komt dat?
Kant of Bentham?
Ik kan dit niet anders verklaren dan door te kijken vanuit welke waarden, vanuit welke ethiek, we sport benaderen. Laat ik twee modellen naar voren schuiven, een model gebaseerd op de theorie van Immanuel Kant en een model gebaseerd op de leer van Jeremy Bentham.
De kantiaanse ethiek is van oudsher gericht op de intentie van ons handelen, terwijl de utilitaristische ethiek – afgeleid van utilitair: het nut van iets –van Bentham zich eerder focust op de gevolgen van ons handelen.
Kant gaat ervan uit dat wij bepaalde intentie moeten ontwikkelen, gericht op het vervullen van onze plicht, willen we ons handelen als ethisch bestempelen. Kant plaatst vooral de onvoorwaardelijke of ‘categorische imperatief’ voorop als de leidraad van ons handelen: in naam van mijn vrijheid neem ik voor mezelf de plicht op ethisch te zijn.
Ik doe dat omdat ik als redelijk wezen inzie dat ik het moet doen en dus wil ik het doen. Kortom, niet de consequentie van mijn handelen staat hier voorop maar wel mijn intentie, het feit dat ik het wil. ‘Geef aan uw wil de vorm van een algemene wetgeving’, zo luidt één van de formuleringen van de opdracht die Kant ons meegeeft.
The greatest happiness of the greatest number
Bentham daarentegen trekt zich van intenties of plichten niets aan en richt zich uitsluitend op de gevolgen van ons handelen, los van welke intentie ook. Het doel van de ethiek moet zijn ‘the greatest happiness of the greatest number’.
Elke handeling die het geluk van de mensheid doet toenemen, is een goeie handeling, een slechte handeling werkt bijgevolg in de omgekeerde richting, namelijk een handeling die het geluk doet afnemen of pijn en lijden veroorzaakt.
Elke handeling moeten we zo berekenen dat ze zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen kan bewerkstelligen. Immers, Bentham ging ervan uit dat alle mensen het aangename (geluk) nastreven en het onaangename (pijn en lijden) vermijden.
De intentie om te kwetsen was duidelijk aanwezig
De voetbalsport vertrekt doorgaans vanuit een kantiaans schema. Het fluiten van een fout of het uitdelen van gele en rode kaarten is veelal gebaseerd op de intentie om iemand te raken, om een bal met de hand te spelen, om doelbewust een tegenstander te kwetsen, et cetera.
Iemand die onbedoeld een andere speler kwetst, zullen we veel minder streng beoordelen dan wanneer iemand met slechte intenties een overtreding begaat.
Op die bewuste zondagavond van enkele maanden terug werd zeer duidelijk uitgegaan van dit schema: de schuldenaar had doelbewust zijn tegenstander gekwetst en daarom was hij een slecht mens die een zware straf verdiende.
Wat gisterenavond gebeurde, was een fout van dezelfde orde. Wat ook de uitleg van de betrokken speler was – een oneliner die bij een standup comedian niet zou misstaan – de intentie zijn tegenstander zwaar te kwetsen, was duidelijk aanwezig (al ontkent de betrokkene dat in alle toonaarden).
Een schuifje utilitarisme opentrekken
Nochtans is de publieke reactie hierop zeer lauw. Indien we de situatie analyseren dan is de volgende conclusie bijgevolg onvermijdelijk: doordat de gevolgen niet zo erg zijn, vinden we dat het allemaal nog wel door de beugel kan.
Kortom, deze keer redeneren we niet kantiaans maar utilitaristisch: de gevolgen vallen mee dus laat het ons maar niet over de intentie hebben.
Het vreemde maar ook verwarrende hieraan is dat het daardoor minstens lijkt alsof we bij onze reflecties over sport ethische theorieën kiezen vanuit louter opportunistische drijfveren.
Indien het ons goed uitkomt en het dient ons comfort van morele superioriteit wanneer we de banbliksems over de slechtheid één sporter de wereld insturen, dan willen we best wel flinke kantianen zijn om duidelijk te maken wat hoort en wat niet.
Maar indien de kantiaanse plicht na een tijdje teveel doorweegt , trekken we vrij opportuun een schuifje utilitarisme open om ons niet nogmaals te moeten verontwaardigen.
Ethiek wordt schaamteloos ingezet bij sport
Kortom, kwamen we enkele maanden terug woorden tekort om de slechtheid van één sporter te bespreken, dan haasten wij ons nu, inclusief het slachtoffer zelf, om het als een ongeluk te beschouwen. Hij heeft het niet zo bedoeld, ten slotte zat er plots een enkel onder zijn voet.
Willen we ons in discussies over sport niet beperken tot goedkope morele verontwaardiging over bepaalde fenomenen en tegelijk de ogen sluiten voor andere, dan denk ik dat we moeten kiezen welk ethisch perspectief we consequent willen aanhouden.
Tot nader order ziet het er naar uit dat het woordje ethiek vrij schaamteloos wordt ingezet wanneer het gaat om sport. Immers, zei in augustus de trainer van Anderlecht, nadat het latere slachtoffer nog maar eens een elleboog had uitgedeeld, dat ‘dit nu eenmaal Wasilewski is’. Ethiek was toen blijkbaar minder nodig…
Ignaas Devisch is professor filosofie en medische - en sportfilosofie, verbonden aan de Universiteit Gent en de Arteveldehogeschool. Hij is tevens bestuurslid van De Maakbare Mens die het hele jaar 2009 al campagne voert rond ‘Stilstaan bij bewegen’ (www.stilstaanbijbewegen.be).


